Portretten

Persoonlijke verhalen, 2017

Karam. De chauffeur van bisschop Mirkis. Had ik meen ik al eens verteld. Is landbouwingenieur, maar de 12 jaar boycot heeft de landbouwsector nagenoeg kapot gemaakt. Turkije sprong in het gat en levert de levensmiddelen. Dus werd hij een werkloos man. Heeft een jong gezin, is blij dat hij een baan heeft. En hij doet het erg goed, ook humaan gesproken. In welke mate de landbouwsector zich aan het herstellen is weet ik niet, hier en daar tussen Sulaymaniyah en Kirkuk zie ik langzaam wat groeien. Er zijn studenten agricultuur, dus er is wel weer toekomst in. Mijn indruk door de studenten is, dat voor hen landbouw vooral veeteelt betekent. Vlees eten! Hoe meer vlees je eet als volk, hoe ontwikkelder het land scoort op de wereldranglijst. Zitten ze voor het examen te leren, uit Engelse aantekeningen, ik kan spieken. Ga ik natrekken in Nederland. Ik vrees dat het klopt.

Israa, de vrouw bij wie ik werd neergezet toen ineens de Jezidi organisatie de bisschop kwam huldigen. Ze zat er samen met een nicht die in Kirkuk woont. Beiden nog jong, bouwjaren 1989 en 1991. Israa spreekt uitstekend Engels. Ze is arts, en kwam deze ochtend bij de kathedraal haar diensten aanbieden omdat ze zonder baan is en intussen wel als arts wil werken. Omdat alles naar de Theaterzaal stroomde, werd ze meegetroond, en Yousif Mirkis vond dat ik even snel haar verhaal moest horen.

Ze is moslima. Ze komt uit Mosul. Op een gegeven moment droeg DAESH haar vader op om iets bepaalds te doen, hij weigerde maar vluchtte dus ook meteen. De spanning werd hem te veel en onderweg stierf hij aan een hartinfarct.

Zij heeft met een groep mensen weten te ontkomen uit Mosul toen de aanvallen voor de herovering van de stad begonnen. Leeft nu bij haar nicht in huis. Ze komt zeer vriendelijk, ontspannen over, maar vertelt intussen wel dat het de afgelopen twee jaar eigenlijk niet te leven was in Mosul. Voortdurend de druk van DAESH, op straat de angst dat je om iets pietluttigs of echt om helemaal niets, gewoon willekeur, werd aangepakt en dan maar afwachten wat verder. En op het werk en in de moskeegemeenschap onder de voortdurende druk van dat wakende systeem dat bepaalt wat moet. Ze hoopt snel een baan te vinden. Ze hoopt snel terug te kunnen, maar weet goed dat het nog erg afwachten is hoe de nabije toekomst er zal uitzien. Zolang hoopt ze ook wat te mogen bijdragen in de kliniek van de kathedraal.

Als ik in het studentenhuis zit dat door DAESH nogal is aangepakt, wordt er bij het eten wat verteld. Ze zijn allemaal geboren vlak voordat de boycot begon, 1991, of in de eerste jaren ervan. Hun jeugd is erdoor getekend. Ze verwoorden het wel scherp. „In de tijd van de boycot waren we arm, heel arm. Maar we waren wel veilig. Vanaf 2003 werd het welvarender, maar we waren altijd in gevaar. Als kinderen moesten we soms naar school lopen langs de lijken die nog op straat lagen.” Ik vertel hen dat de Algemene Overste van de dominicanessen in 2003 zei over de jonge zusters toen: „Ze zijn dochters van de oorlog. Ze hebben niets anders dan oorlog meegemaakt.” Ja, dat vinden ze wel een goede benaming. Een van hen vraagt me dan: „Wat was jouw doel in je leven?” Ik meld dat ik wel een paar keer een doel had in mijn leven, maar dat dat ook wel een paar keer anders liep, het leven nam zo zijn eigen bochten. Ze antwoordt: „Ik had een doel, maar dat is stuk.” Ze kijkt me vragend aan. Dan zeg ik: „Het kan nooit, maar zeker nu in Irak lijkt het me niet goed om een doel te hebben dat daar ergens in de verte ligt, gefixeerd op iets over twintig jaar of zo. Wat je moet proberen te doen is, om 2 of 3 passen vooruit te kijken, maar pas 1 te zetten en daar je energie aan geven. Je moet één pas tegelijk doen, en dan weer goed kijken waar je bent. Die ene pas is het enig haalbare en realistische nu. Dat is wat je aankunt. En die 3 stappen vooruit denken, dat is om je richting te geven. En dan kan het best dat onderweg er een bocht komt in de weg.” Daar gaan ze een tijdje over door, maar hun Arabisch ontgaat me en ik wil niet dat ze steeds alles vertalen, dan zou het gesprek stuk slaan. Ik geloof dat ik door dat antwoord hun grootmoeder werd.

Niaad, de studente coördinatrice in dit huis, kwam me vragen wat ik van haar vond, hoe ik haar waarnam. Soms, heel soms vind ik dat een leuke vraag, zoals deze keer. Ik kon eerlijk antwoorden: „Je bent sterk en je bent heel flexibel. Je moet heel goed op je grenzen letten, en soms ook aan anderen grenzen stellen. Omdat je zo flexibel bent zullen er altijd zijn die pogen je te manipuleren en je uit te buiten.” Ze wilde weten wat ik met die grenzen bedoelde, en ik deed het voor met mijn arm. Mensen die de structuur van een lantaarnpaal hebben, als die vastlopen hebben ze een beetje pijn. Maar iemand die flexibel is, die als een ruitenwisser heen en weer kan, als die vastloopt doet het verrekte zeer. Je moet dus niet tot die grens gaan en al helemaal niet een ander je door die grens laten duwen. Voor jezelf goed doorkrijgen  waar je grens is en die in de gaten houden.” Er ontstond een geanimeerd Arabisch gesprek tussen de vijf aanwezigen, en ik kreeg de indruk dat ze uit het dagelijks leven wel herkenden waar ik naar verwees.

Yundan (?), zegt niets. Haar lichaam des te meer, haar ogen ook. Haar lichaam staat zeer strak. Haar ogen kijken me brandend aan, ze toont pure vriendelijke meegaandheid maar de ogen vragen iets; stellen tegelijk gerust en blijven fel. Ze wilde de boomoefening doen, maar dat lukte niet. Wortels nog wel enigszins maar het bleef een soort boomstronk die niet verder tot ontwikkeling komt. Na een uur ontspanningsmassage die mijn rug brak door haar strakheid, gaf ik aan dat ze na de anderen nog een keer moest. Was onmiddellijk de hele aanwezige groep het mee eens. „Ze was op Sinjar”, is het enige commentaar van degene die mij vertaalt. Als ik een dag later haar inderdaad uitnodig, is ze zéér gelukkig. Ze is ook minder strak, ik kan nu werkelijk iets doen om de innerlijke balans te verbeteren. Ze zwaait me uit tot in de straat.

In het huis met de superbeleefde studentes had ik op de valreep nog een aardig gesprek. Opvallend hier: de christelijke meisjes dus zoals het volgens hen hoort, verlegen en bedeesd en onderdanig beleefd; Hanien, moslima, open en beslist in haar meningen. Sjiea of Soennie dat wist ze dus niet, of dat wel een verschil van belang was? Ze vroeg naar mijn graad in afstuderen. Dat is me hier nog nooit overkomen! Hoe leg ik uit dat ik Theologie deed aan de ATO, een uitstekende opleiding die werd geliquideerd omdat iemand hem te oecumenisch en te politiek vond… Gelukkig vraagt ze door, wat ik dan deed in mijn leven in het onderwijs. Wat ik onderwees. Kon ik zonder problemen vertellen. Dacht ik. Toen ik meldde dat ik godsdienstonderwijs had gegeven aan jongeren van 12 tot 18, vroeg ze : „Op school, of bij de kerk?” „Op school.” Het gesprek was over. Dat kon volgens haar helemaal niet, dat vond ze een onvergeeflijke dwang. Hoe kon je nou op school de bijbel of de koran gaan onderwijzen, terwijl er zoals hier bijvoorbeeld ook christenen op school zitten. Die moet je toch de ruimte geven om hun eigen geloof te hebben.” Ik kwam er niet meer tussen om te vertellen dat ik niet missioneerde, maar een vorm van godsdienst had gegeven die de jongeren zelf liet nadenken, en zelf mede liet ontdekken wat er in zo’n oud boek voor verrassends te lezen is als je goed tussen de regels leert lezen. Dat de school bovendien katholiek was, dus al voorgesorteerd. Haar Engels was te goed, ze praatte gewoon door me heen om mij te overtuigen dat ik dat absoluut maar niet meer moest doen. Mijn pogen toe te lichten was voor haar pure verdediging. Ze moet heel apologetische ouders gehad hebben of zo, of een imam van dat soort. Het was wel prachtig om te zien, jonge driftige meid. Een zeer rationele tante, haar ziel zweeft volgens mij een stuk boven haar hoofd, een soort uittreding uit de realiteit met een overmaat aan antennes om gevaren waar te nemen. Als gesprekspartner wel heel spannend op een leuke manier. We werden onderbroken door Mr. Emad Matti die mij voor de nacht naar het derde huis transporteerde.

Ishnaan en Ruah. Men legt me te slapen in de kamer van deze beide dames, al wat ouder. Drie bedden zijn van die wisselbedden, een ervan mag ik deze nacht. Beiden zijn al gegradueerd en werken. Beiden zijn zelf vluchteling, Ruah een moslima uit Mosul en Ishnaan christelijk uit Caracosh. Ishnaan moet nog die avond gered worden, ik geef haar tussen 22.30 en 23.30 uur een ontspanningsmassage. Zeer bevredigend voor mijn ego, elke twee minuten een diepe ontspannende zucht als mijn beloning. Daarna voelt ze zich in de hemel en gaan we slapen.

Beiden werken in een groot vluchtelingenkamp buiten Kirkuk, met 10.000 personen. Zij samen voor dezelfde organisatie. Ruah is coördinator. Ze slaapt hier omdat ze geen onderkomen heeft en in die functie beter niet in het kamp blijft, om zelf ook te kunnen bijkomen. Als ik haar de volgende morgen aanpak, is haar lichaam één grote stress die langzaam loslaat. Ishnaan werkte eerst als sociaal werkster in een kamp in Erbil, waar haar gezin nu in een container woont. Maar ze kon promotie maken, een functie hier in Kirkuk die er in Erbil niet was. En daar ze het geld nodig zullen hebben, is ze vijf dagen in de week van huis. Haar 6 kinderen zijn bij haar man. Haar dochter van 20 komt dinsdags naar Kirkuk om te studeren, slaapt op deze kamer (is net binnengekomen terwijl ik in een pauze dit schrijf) en dan gaan ze donderdagavond samen terug naar Erbil. Ze denkt erover te emigreren, ze wil dat haar kinderen in veiligheid leven. Ze heeft gehoord van de aversie tegen vluchtelingen, twee Franse paters vertelden haar ervan, hetzelfde wat ik haar zei, bevestigt ze. Ik adviseer haar zichzelf nog 2 jaar de tijd te geven. Het is denkbaar dat men DAESH weet te verdrijven. En In Irak zou het dan wel eens beter kunnen worden, omdat hier de groepen nog steeds zo intens en ontspannen samenwerken. Ze bevestigt ontroerd dat dat inderdaad gebeurt, ze getuigt intens van de liefde voor haar volk. Maar de veiligheid… Ze gaat erover nadenken. Ze is verrast dat ik heb opgemerkt na 2003 hoe de groepen door samen te werken wisten te verhinderen dat de ellende ook nog zou uitlopen op een burgeroorlog. Die nacht slaap ik met twee vrouwen die diep weg zijn, ze slapen door alles heen blijkbaar. Ik lig wakker tussen 3.30 uur en 7.00 uur, omdat er weliswaar op afstand maar toch voortdurend schieten is te horen. Eén grote echo van mitrailleurs galmt vanaf de horizon. Het is ver weg, het klinkt als rotjes op oudejaarsavond in de volgende straat. Het komt ook niet dichterbij, alleen verbreedt het zich een tijdje, tot het weer uit één hoek komt voordat het wegsterft. Als ik hen er naar vraag in de ochtend halen ze hun schouders op: „Dit gebeurt zo vaak, dat horen we niet meer.” In het huis van mijn bisschop heb ik dat nog nooit gehoord. Zouden de muren dikker zijn? Het is meer ingebouwd, ook een mogelijkheid.

Ruah voert een telefoongesprek, Arabisch. Drie maal het woord security. Zou dat uit het Engels zijn overgenomen? Zou het soort veiligheid dat tegengesteld is aan mitrailleurvuur vóór de komst van de Europeanen niet belangrijk genoeg zijn geweest voor een eigen woord? Ik ga het onderzoeken.

Deze twee vrouwen zijn weer precies dat wat ik in 2014 in Erbil zag bij de zusters dominicanessen. Vluchtelingen die de hele dag rennen om andere vluchtelingen te redden, hún problemen oplossen en eventueel zelf daaraan vastlopen. Wat bisschop Van den Hende een keer scherp opmerkte in de Raad van Kerken, dat we ons moesten realiseren dat degenen die de vluchtelingen hielpen ook zelf vluchtelingen zijn. Precies! De NGO’s in de kampen maken grotendeels gebruik van vluchtelingen, de beste NGO’s dan. Het mes snijdt aan twee kanten: alvast een paar die weer een baan hebben, en inzet van de lokale kwaliteit en kennis.

In huis 3 ben ik na de rijpere dames naar de kamer van de architectes gehaald. Er is veel groepering per studiesoort. Ik laat het filmpje zien met een van hen, Fatin, in het statement van bisschop Mirkis over de studenten. Ze hebben het over hun vak, laten in de laptops de ontwerpen zien. En vertellen dat hun voorgangsters afgestudeerden vervolgens werkloos zijn. ALS DAESH over is, zullen ze wel werk krijgen!

Bisschop Mirkis vertelt ’s avonds na terugkeer daarover: „Ik doe niet aan sektarisme naar geloof of herkomst. Maar inderdaad wel aan wetenschappelijk sektarisme. Ze mogen de kamergenotes niet uitzoeken op geloof of herkomst, maar wel op gelijke studierichting als ze dat willen.”

Vandaag, woensdag, brengt zuster Jumna me naar een familie waar de oude moeder problemen heeft. Ik kan haar beperkt helpen, wel de balans wat herstellen, maar de fysieke kanten zijn eigenlijk niet mijn kunnen. Ik moet af en toe roepen dat ik niet Jezus ben. Ook deze familie zat op Sinjaar. Moeder met vier dochters, twee gehuwd. Drie kleinkinderen. De schoonzoons zijn in handen van DAESH, haar man is een week geleden overleden. Sindsdien loopt ze niet meer goed, trilt op haar benen. Ze hebben me al vaker voor jezus aangezien, daardoor heb ik me langzaamaan toch wat bekwaamd in fysieke kunsten. Cranio-sacraaltherapie doet wonderen. Een heel klein beetje daarvan beheers ik. Deed weer een wonder. Ze loopt weer beter. We moesten samen op de foto. Abuna Qais blijkt het gezin te kennen. Een van de dochters werkt bij de zusters Dominicanessen. Zo kwam ik daar terecht nu.

We moeten maar een fonds zoeken dat enkele goede fysiotherapeuten van hier naar Zwitserland wil sturen voor een goede vorming in cranio-sacraaltherapie. Dan zijn ze echt in goede handen voor dit soort zaken.

Wie heeft relatie bij een ziekenverzekering die zoiets wil bekostigen als maatschappelijke bjidrage?